 |
Geboren: 7 mei 1882(Antwerpen)
Overleden: 31 mei 1960(Antwerpen)
In onze Bibliotheek: "Van De Ridder tot Elsschot; Een biografie in foto's"door Wieneke 't Hoen
Situering: Proza; Poëzie; Vlaamse Beweging Biografie: Schrijver, pseudoniem van Alfons de Ridder. Na enkele jaren atheneum studeerde hij aan het Hoger Handelsgesticht te Antwerpen, werkte daarna op kantoren te Parijs (1907), Rotterdam (1908-1910) en te Brussel en vestigde zich in 1914 te Antwerpen, waar hij na de Eerste Wereldoorlog aan het hoofd stond van een eigen reklamebureau. Hij had al op school belangstelling voor literatuur en behoorde in 1901 tot de jongerengroep rond het anarchistische blad De Alvoorder. In zijn Parijse en Rotterdamse periode schreef hij gedichten, die zijn vriend Ary Delen in Forum publiceerde en die later werden gebundeld als Verzen van vroeger (1934; een uitgebreide druk verscheen in 1943 als Verzen - Elsschots poëzie staat los van de literaire modes van haar ontstaansperiode, zij vertoont niet de geringste verwantschap met of invloed van Karel van de Woestijnes poëtische canon. Zijn eerste roman Villa des Roses (1913), het verhaal van een pension waar een aantal gefrustreerde levens mekaar kruisen, is, hoewel er laat-naturalistische echo's in zitten, even apart. De ingeslagen weg wordt in 1921 verdergezet met Een ontgoocheling (geschreven in 1914) en De Verlossing; het eerste verhaalt de mislukking van een burgermannetje én van zijn zoon, het tweede de fatale vete tussen twee bikkelharde karakters, een vrijdenker en een dorpspastoor. Lijmen (1924) is de eerste van de ik-romans waarin het personage Laarmans optreedt, een schuchter, in de grond nogal fatsoenlijk mens maar een zwakkeling die zich in het troosteloze bestaan schikt met een spottende glimlach en verder niets onderneemt. Laarmans' antagonist is Boorman, een schoft zonder scrupules die mensen aftruggelt door op hun domheid, ijdelheid of morele zwakte in te spelen. In de loop van Lijmen wordt Laarmans als Boorman: op het einde is ook de naïeveling een perfecte zakenman zonder enige morele schroom geworden. Lijmen wordt door een "ik" verteld aan Laarmans; hierdoor creëert Elsschot, zelf een zakenman, enige afstand tussen hemzelf en het personage Laarmans, waarover hij overigens ronduit verklaarde dat het zijn alter ego was. Terwijl ook Boorman in veel opzichten een afsplitsing van Elsschot was: ook Alfons de Ridder blijkt een keihard zakenman te zijn geweest. (Elsschot beklemtoonde trouwens herhaaldelijk zelf, geen fantasie te hebben maar slechts dingen te beschrijven die op een of andere wijze werkelijk waren gebeurd.) Na Lijmen volgden o.m. nog Kaas (1933), Tsjip (1934), Het been (1938), De leeuwentemmer (1940), Het tankschip (1940) en Het dwaallicht (1946) waarin Laarmans, die nu terug ten tonele wordt gevoerd als de toch wel fatsoenlijke burgerman, telkens het centrale karakter is. Het oeuvre van Elsschot is gering van omvang, maar met zijn heldere, lapidaire en decaperende stijl, de groteske invalshoek, de ironie of het cynisme waarmee mens en wereld worden bekeken en waarin, alle illusieloosheid ten spijt, toch een diepe kern van mededogen zit, is het een monument in het twintigste-eeuwse Nederlandse literaire landschap. Elsschot kreeg postuum de Staatspijs ter bekroning van een schrijversloopbaan toegekend. |